Deze statistiek gaat over de kinderbijslag die in de werknemersregeling betaald wordt voor kinderen die in het buitenland worden opgevoed en van wie de rechthebbende een vreemde nationaliteit heeft. Dat bijzondere recht kan geopend worden op grond van de Europese Verordeningen, op basis van een bilaterale overeenkomst tussen België en een ander land of via een afwijking toegestaan door de minister van Sociale Zaken. De telling 2010 analyseert het aantal rechthebbenden met kinderen in het buitenland op 31 december 2010 en de uitgaven in 2010. Net als de voorgaande jaren, steeg in 2010 het aantal rechtgevende kinderen in het buitenland. Met een stijging van bijna 4 % bereikten zij voor de eerste keer de grens van 40.000 kinderen. Die stijging kan toegeschreven worden aan de kinderen die opgevoed worden in landen binnen de Europese Unie (95,13 % van alle kinderen in deze statistiek), vooral de kinderen van Franse grensarbeiders (70,66 % van alle rechtgevende kinderen) en de kinderen van rechthebbenden afkomstig uit de nieuwe lidstaten van de Europese Unie, Polen op kop. Het aantal rechthebbenden op grond van een bilaterale overeenkomst daalt daarentegen verder. Het is Marokko die in die groep de sterkste daling noteert. De uitgaven voor de kinderen in het buitenland vormen 1,55 % of 64.201.165 EUR van de totale uitgaven in de werknemersregeling. Iets meer dan 98 % daarvan wordt betaald aan kinderen die vallen onder de Europese Verordeningen. Frankrijk alleen al neemt 69,45 % voor zijn rekening. De uitgaven in het kader van de bilaterale overeenkomsten vertegenwoordigen slechts 1,62 % van de totale uitgaven, maar hebben wel betrekking op 4,53 % van de rechtgevende kinderen. Dat komt door de lagere bedragen die uitgekeerd worden op basis van de bilaterale overeenkomsten. |